Fiscaliteit - BTW

×

Error message

Deprecated function: The each() function is deprecated. This message will be suppressed on further calls in _menu_load_objects() (line 569 of /var/www/vh64204/1/raidillon-accounting.eu/includes/menu.inc).

De BTW regelgeving is een vrij complexe materie met bovendien voortdurend veranderende regel- en wetgevingen. Bij RAIDILLON ACCOUNTING zorgen wij voor de juiste en de gewenste ondersteuning op een efficiente manier zodat aan alle wettelijke verplichtingen wordt voldaan.

Wij verzorgen al Uw periodieke aangiftes : BTW-aangiftes, intra-communautaire opgaves, intrastat-aangiftes, ... en begeleiden U bij de afhandeling van fiscale controles en geschillenprocedures met fiscale Administraties

De btw is een belasting op goederen en diensten die uiteindelijk door de eindverbruiker wordt gedragen en die stapsgewijs wordt geïnd, namelijk bij elke transactie in het productie- en distributieproces. Doordat in elke schakel van het productie- en distributieproces de belasting welke betaald is op de inputs kan worden afgetrokken, wordt enkel de toegevoegde waarde in die schakel belast. De btw is dus een eenmalige verbruiksbelasting die d.m.v. gefractioneerde betalingen wordt voldaan.

De btw is een proportionele belasting op de verkoopprijs exclusief btw. De toegepaste tarieven kunnen evenwel verschillen naargelang van de aard van het belaste goed of de belaste dienst.

De drie grote categorieën van belastbare handelingen zijn:

  • de leveringen van goederen en diensten die door een btw-belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, wanneer deze leveringen en diensten in België plaatsvinden (Art. 2 Btw-Wetboek);
  • de invoer van goederen, door wie ook, in België. Men spreekt alleen van invoer als de goederen uit een niet-EU-Lidstaat komen (Art. 3);
  • de intracommunautaire verwervingen van goederen, welke in België geschieden en onder bezwarende titel plaatsvinden. Het betreft hier goederen uit de andere EU-Lidstaten (Art. 3bis).

Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit, geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in het Btw-Wetboek zijn omschreven (zie punt 1.3), ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend (Art. 4).

De belastbare activiteiten omvatten de volgende vier grote categorieën:

  • de levering van goederen (Art. 9 tot 17);
  • het verrichten van diensten (Art. 18 tot 22bis);
  • de invoer (Art. 23 tot 25);
  • de intracommunautaire verwerving van goederen (Art. 25bis tot 25sexies).

In beginsel vindt het belastbare feit (Art. 16) plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip van de levering van het goed. In bepaalde gevallen kan echter een andere regeling van toepassing zijn (uitstel tot de 15e van de volgende maand indien geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum (voor het intracommunautaire verkeer), opeisbaarheid bij al dan niet gedeeltelijke incassering, verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft, bv. voor doorlopende leveringen) (Art. 16 en 17).

Sinds 2009 dient de BTW-aangifte in België verplicht electronisch te gebeuren. Bovendien zullen vanaf de belastingplichtigen die jaarlijks intracommunautaire leveringen van goederen verrichten voor een bedrag meer dan 400.000 EUR, vanaf 1 januari 2010 gehouden zijn maandelijks een BTW-aangifte in te dienen.

Volgens de huidige regeling dienen de originele facturen te worden overgemaakt aan de bevoegde administratie van de lidstaat waarvan de BTW wordt teruggevraagd.

Vanaf 1 januari 2010 zal het verzoek tot teruggaaf elektronisch dienen te worden ingediend.  De indiening wordt verricht in de lidstaat van vestiging van de verzoeker. Deze lidstaat stuurt het verzoek vervolgens door naar de lidstaat die gehouden is tot teruggaaf van de BTW. Het zal bovendien niet langer vereist zijn om steeds de originele facturen over te maken. De respectievelijke administraties van de lidstaten hebben wel nog steeds de mogelijkheid deze op te vragen.

De nieuwe regeling voorziet dat de verzoeker binnen 4 maanden na indiening van zijn verzoek wordt ingelicht over de goed- of afkeuring van zijn verzoek tot teruggaaf. De effectieve terugbetaling van de BTW zal dienen te gebeuren binnen 4 maanden na de goedkeuring van het verzoek. Bij laattijdige betaling zullen verwijlinteresten verschuldigd zijn.

Als direct gevolg van de nieuwe lokalisatieregels zullen dienstverrichters voortaan een intracommunautaire opgave van diensten dienen bij te houden, zoals die reeds bestaat voor intracommunautaire leveringen van goederen. In deze opgave dienen de verrichte diensten die in de lidstaat waar de BTW-plichtige afnemer gevestigd is van BTW zijn vrijgesteld, niet te worden opgenomen.

Belastingplichtigen die gehouden zijn tot maandelijkse aangifte, zullen deze opgave maandelijks moeten indienen. Deze opgave dient verplicht electronisch te worden ingediend.

Zoals in de huidige regeling, dient jaarlijks de lijst van BTW-plichtige afnemers electronisch te worden ingediend. Vrijgestelde afnemers dienen aldus niet in deze listing te worden opgenomen.

De maatstaf van heffing van de btw wordt bepaald in de Art. 26 tot 36.

In principe is de maatstaf van heffing van de btw het bedrag dat de tegenpartij van de leverancier van goederen of de verstrekker van diensten moet betalen aan de leverancier of verstrekker. In dit bedrag zijn ook begrepen de kosten van commissie, verzekering en vervoer alsmede de belastingen (behalve de btw zelf), rechten en heffingen (Art. 26).

Tot de maatstaf van heffing behoren echter niet het disconto, de prijsverminderingen, de intresten wegens te late betaling, de statiegelden voor verpakkingsmiddelen, de btw zelf, enz. (Art. 28). Bijzondere regelingen gelden o.a. voor de invoer (waar de maatstaf in beginsel de douanewaarde is – Art. 34), voor verrichtingen waarvan de prijs niet enkel in geld is uitgedrukt (waar de maatstaf in beginsel de normale waarde is – Art. 32), voor de prestaties van reisagentschappen (Art. 29, §2), enz.

Voor bepaalde goederen en diensten geldt een minimummaatstaf van heffing, o.a. voor nieuwe gebouwen (Art. 36).

De aftrek van de btw wordt geregeld in de Art. 45 tot 49.

De belastingplichtige kan van de btw die hij verschuldigd is, de btw aftrekken welke geheven is op de aan hem geleverde goederen of verstrekte diensten, alsmede op de door hem ingevoerde of intracommunautair verworven goederen voor zover hij deze goederen en diensten gebruikt (a) voor met btw belaste economische activiteiten of (b) voor economische activiteiten die van btw zijn vrijgesteld wegens uitvoer en intracommunautaire leveringen, internationaal vervoer (vrijstellingen vermeld onder punt 1.4.1. hierboven) en (c) in een aantal andere gevallen (Art. 45 § 1, 1ter en 1quater).

Ten aanzien van uit hun aard onroerende goederen en andere bedrijfsmiddelen en diensten die aan de herziening zijn onderworpen en behoren tot het vermogen van de onderneming en die ook voor

andere doeleinden dan voor de economische activiteit van de onderneming gebruikt worden, is de aftrek beperkt tot het beloop van het gebruik voor de doeleinden van de economische activiteit (Art. 45, § 1quinquies).

Voor de verwerving van nieuwe vervoermiddelen is een regeling uitgewerkt om te vermijden dat bepaalde verwervers (bv. particulieren) van deze voertuigen een dubbele belasting moeten betalen (Art. 45 § 1bis en art. 39bis). In alle gevallen dient de btw op deze nieuwe vervoermiddelen betaald te worden volgens het in België geldend tarief. Vanaf 1 januari 2010 treden de Richtlijnen 2008/8/EG en 2008/9/EG van 12 februari 2008 in werking, het zogenaamde nieuwe ‘VAT PACKAGE’ of ‘BTW-pakket’.

BTW PACKAGE :

Het BTW-pakket bevat een ingrijpende verandering van de lokalisatieregels van diensten en van de regels ter voldoening en teruggaaf van de BTW, met de bedoeling de oude kwalen van dubbele heffing of niet-heffing van BTW te genezen. Deze wijzigingen gaan gepaard met een doorgedreven gelijkschakeling van de BTW-tarieven in alle lidstaten en de verlaging van de administratieve lasten voor internationale leveringen, ter vrijwaring van de concurrentie en het vrij verkeer van goederen en diensten binnen de EU.

In dit memorandum willen we aangeven wat er concreet zal veranderen voor Belgische en Europese ondernemers. Wij hebben ons gebaseerd op de tekst van de richtlijnen, het hangende wetsvoorstel ter aanpassing van het Belgisch BTW-Wetboek ingediend op 11 september 2009 in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de huidige commentaren door de rechtsleer en van de Belgische Minister van Financiën Didier Reynders.

1. Nieuwe regels voor plaats van dienst

Nog tot het einde van dit jaar geldt voor intracommunautaire leveringen de huidige hoofdregel dat het BTW-regime van de lidstaat waar de dienstverrichter is gevestigd in principe van toepassing is. Deze hoofdregel gaat gepaard met talrijke uitzonderingen, zoals bijvoorbeeld voor intellectuele diensten en telecommunicatiediensten.

Vanaf 1 januari 2010 geldt een nieuwe dubbele hoofdregel:

Diensten die geleverd worden tussen belastingplichtigen (B2B – Business-to-Business) die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, zullen in principe worden geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd. De afnemer zal bovendien zelf de verschuldigde BTW dienen te voldoen met verlegging van heffing.

Voor diensten verricht aan niet-belastingplichtigen (B2C – Business-to-Consumer) zal de dienst in principe onderworpen blijven aan aan het BTW-regime van het land van de dienstverrichter. Voor B2C is de verandering bijgevolg minimaal.

1.1      B2B – Business to business:

Opdat de afnemer van de dienst gehouden zal zijn de BTW te voldoen, is het niet enkel vereist dat de afnemer BTW-plichtig is, maar ook dat deze als zodanig handelt.

Bijvoorbeeld, een Belgische BTW-plichtige boekhouder koopt een softwarelicentie aan bij een Nederlandse softwareproducent van ondersteuningsprogramma, dat hij zal gebruiken voor zijn economische activiteit. De B2B-regel is van toepassing, de dienst wordt geacht plaats te vinden daar waar de afnemer gevestigd is. Het Belgische BTW-regime is bijgevolg van toepassing, de Nederlandse softwareproducent zal geen BTW dienen te factureren, de Belgische boekhouder zal Belgische BTW dienen te voldoen.

De Nederlandse softwareproducent zal wel moeten kunnen aantonen dat de B2B-regel terecht werd toegepast. Het is dus aangewezen om zich steeds te vergewissen van de BTW-hoedanigheid van klanten. De VIES-website van de EU kan hiertoe een aanzet zijn, en is te vinden op http://ec.europa.eu/taxation_customs/vies/vieshome.do .

Indien echter de Belgische BTW-plichtige boekhouder een softwarelicentie aankoopt van de Nederlandse softwareproducent voor het gebruik op de computer van zijn kinderen, handelt hij niet in zijn hoedanigheid van BTW-plichtige, en zal niet de B2B- doch wel de B2C-regel toepassing vinden. Bijgevolg zal de Nederlandse BTW dienen te worden gefactureerd door de Nederlandse softwaredienstverrichter aan de Belgische boekhouder. Het betreft in feite een uitbreiding van de reeds bestaande regeling voor sommige intellectuele diensten.

Gebruikt de Belgische BTW-plichtige boekhouder de softwarelicentie zowel voor professionele toepassingen als voor privégebruik, zal de dienst door de Belgische administratie worden geacht volledig plaats te vinden voor de economische activiteit en is de B2B-regel van toepassing.

Verandert de bestemming van de softwarelicentie enige tijd na de aankoop, dan heeft dit in beginsel geen gevolgen voor de plaatbepaling van de dienst, aldus de Minister van Financiën in een antwoord op een parlementaire vraag van 28 mei 2009.

Vrijgestelde BTW-plichtigen:

Is de afnemer een vrijgestelde BTW-plichtige die intracommunautaire diensten ontvangt, zal de B2B-regel toepassing vinden indien de afnemer de dienst voor zijn economische activiteit gebruikt. Omdat onder de huidige Europese nationale regelingen, de vrijgestelde BTW-plichtigen niet steeds een BTW-identificatienummer kregen toegekend, voorziet de BTW-richtlijn de verplichting voor de lidstaten om een dergelijk nummer toe te kennen aan vrijgestelde afnemers die BTW dienen af te dragen op diensten die ze hebben verkregen van een buitenlandse verrichter.

Een Belgisch advocaat die een softwarelicentie voor professionele software aankoopt van een Nederlandse softwareproducent ter gebruik in zijn advocatenpraktijk, zal dus Belgische BTW dienen te voldoen. De Nederlandse softwareproducent zal geen Nederlandse BTW dienen te factureren.

Gemengde BTW-plichtigen:

Voor de zogenaamde ‘gemengde BTW-plichtigen’ zal gelden dat intracommunautaire diensten die aan hen worden geleverd, altijd worden geacht plaats te vinden daar waar de afnemer gevestigd is, ook wanneer de dienst is bestemd voor voor de activiteit die buiten toepassing van de BTW valt. Dit is onder meer het geval voor een overheidsinstelling die naast vrijgestelde handelingen ook handelingen stelt die vallen binnen het toepassingsgebied van de BTW.

Een Belgische gemeente die een softwarelicentie voor een ondersteuningsprogramma koopt van een Nederlandse softwareproducent ter aanwending bij het verschaffen in vrijgestelde openbare dienstverlening, maar die tevens economisch actief is door bijvoorbeeld de uitbating van een sporthal waardoor ze de hoedanigheid heeft van BTW-plichtige, zal Belgische BTW te dienen inhouden. De Nederlandse softwareproducent zal geen Nederlandse BTW dienen te factureren. Verricht de gemeente daarentegen geen activiteit die in het toepassingsgebied van de BTW valt, dan zal de B2C-regel toepassing vinden, en dient de Nederlandse softwareproducent Nederlandse BTW te factureren.

Vaste inrichting:

Binnen het kader van de B2B-regel wordt een dienst geacht plaats te vinden daar waar de BTW-plichtige afnemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. Echter, wordt de dienst verricht voor een vaste inrichting van de BTW-plichtige afnemer in een andere plaats dan waar hij de zetel van zijn bedrijfuitoefening heeft gevestigd, dan zal de plaats waar deze vaste inrichting is gevestigd, gelden als plaats van dienst.

Het al dan niet bestaan van de kwalificatie als vaste inrichting is een complexe materie die wij hier niet zullen uitspitten, maar een vaste inrichting kan bijvoorbeeld bestaan in een fabriek, winkel, agentschap of directiezetel van een onderneming op een andere plaats dan waar de zetel van bedrijfsuitoefening is gevestigd.

De Minister van financiën wenst te verduidelijken dat hiertoe vereist is dat de vaste inrichting de werkelijke verbruiker en begunstigde is van de dienst, en dat de dienst uitsluitend ten behoeve van deze vaste inrichting werd verstrekt. De administratie zal zich voor het lokaliseren van de dienst onder meer baseren op volgende formele elementen:

  • Afsluiten van het contract door de vaste inrichting;
  • Opmaken van de bestelbon door de vaste inrichting;
  • Facturatie op naam en adres van vaste inrichting, met vermelding van diens BTW-identificatienummer;
  • Betaling door de vaste inrichting.

1.2      B2C – Business to consumer:

Voor niet-belastingplichtige afnemers, zoals bijvoorbeeld een privépersoon of een louter passieve holding, blijft de huidige hoofdregel ook na 1 januari 2010 gelden. Zo zal een Nederlandse softwareproducent die een softwarelicentie verkoopt aan een Belgische privépersoon die het in licentie gekochte programma zal aanwenden voor privégebruik, Nederlandse BTW dienen te factureren aan de Belgische privépersoon.

Nemen we het voorbeeld van een Belgische onderneming die managementdiensten verstrekt aan een holding gevestigd buiten de EU. Deze holding valt voor deze diensten buiten het toepassingsgebied van de BTW. Het betreft diensten die als voorwerp het beheer en de leiding van de holding hebben en waarbij beleidslijnen kunnen worden opgelegd aan de holding. Net zoals in de huidige regeling, worden deze diensten geacht plaats te vinden in België, en is bijgevolg het Belgische BTW-regime van toepassing. De Belgische onderneming zal Belgische BTW dienen aan te rekenen. (Dit voorbeeld werd toegelicht door de Minister van Financiën naar aanleiding van een parlementaire vraag van 28 mei 2009.)           

1.3 Uitzonderingen:

Uiteraard voorziet de nieuwe regeling in een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen betreffen grotendeels B2C-situaties en voorzien meestal een bestendiging van de huidige regeling;

Diensten met betrekking tot onroerende goederen:

Zowel voor B2B- als B2C-situaties, worden deze geacht plaats te vinden daar waar het onroerend goed is gelegen.

Goederenvervoer:

Voor B2B-situaties geldt de B2B-regel, de dienst wordt aldus geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd.

Voor B2C-situaties gebeurt de plaatsbepaling a rato van de afgelegde afstanden per land. Voor intracommunautair goederenvervoer blijft de regel dat als plaats van dienst wordt aangemerkt de plaats van vertrek van het goederenvervoer.

Activiteiten samenhangend met goederenvervoer, zoals laden, lossen en intern vervoer:

Voor B2B-situaties geldt de B2B-regel, de dienst wordt aldus geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd.

Voor B2C-situaties wordt de dienst geacht plaats te vinden daar waar ze materieel wordt verricht.

Personenvervoer:

Zowel voor B2B- als B2C-situaties geldt dat de plaatsbepaling van de dienst gebeurt a rato van de afgelegde afstanden per land.

Culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke activiteiten: vanaf 1 januari 2011:

Zowel voor B2B- als B2C-situaties geldt dat de dienst wordt geacht plaats te vinden daar waar ze materieel wordt verricht.

In de memorie van toelichting bij het recente wetsontwerp wordt benadrukt dat het verlenen van toegang tot dergelijke evenementen, bijvoorbeeld het inkomticket, wordt geacht plaats te vinden daar waar het evenement werkelijk plaatsvindt. Hieronder worden eveneens de met toegangverlening samenhangende diensten begrepen, zoals de vestiaire of sanitaire voorzieningen.

Alle andere diensten verstrekt in het kader van dergelijke activiteiten zullen worden geacht plaats te vinden daar waar de dienstverrichter is gevestigd, en dit vanaf 2011.

Restaurant- en cateringdiensten:

Zowel voor B2B- als B2C-situaties geldt dat de dienst wordt geacht plaats te vinden daar waar ze materieel wordt verricht.

De memorie van toelichting bij het recente wetsontwerp stelt dat opdat deze uitzondering toepassing kan vinden, tenminste een onmiddellijk verbruik van de voedingswaren noodzakelijk is.

Catering op vliegtuig, schip of trein voor het in de EU verrichte gedeelte van de dienst:

Zowel voor B2B- als B2C-situaties geldt dat de dienst wordt geacht plaats te vinden in het land van vertrek.

Kort verhuur van wagens (minder dan 31 dagen):

Zowel voor B2B- als B2C-situaties geldt dat de dienst wordt geacht plaats te vinden daar waar de wagen wordt terbeschikking gesteld aan de huurder.

Lang verhuur van wagens (31 dagen of meer):

Voor B2B-situaties geldt de B2B-regel, de dienst wordt aldus geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd.

Voor B2C-situaties wordt de dienst geacht plaats te vinden daar waar de huurder van de wagen is gevestigd.

De Minister van Financiën heeft verduidelijkt dat voor het kwalificeren als kort dan wel als lang verhuur, rekening wordt gehouden met de periode van werkelijk ononderbroken bezit van de huurwagen, los van juridische of contractuele bepalingen. Voor huurcontracten met betrekking tot dezelfde huurwagen die mekaar zonder of met korte onderbreking opvolgen wordt de huurperiode van de voorafgaande contracten bovendien mee in rekening gebracht.

Materiële werken aan roerende goederen:

Voor B2B-situaties geldt de B2B-regel, de dienst wordt aldus geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd. Dit is een aanzienlijke vereenvoudiging, die inhoudt dat niet langer rekening zal dienen te worden gehouden met de plaats(en) waar de goederen worden bewerkt.

Voor B2C-situaties wordt de dienst geacht plaats te vinden daar waar ze materieel wordt verricht.

Diensten van tussenpersonen, zoals makelaars of lasthebbers:

Voor B2B-situaties geldt de B2B-regel, de dienst wordt aldus geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd.

Voor B2C-situaties wordt de dienst geacht plaats te vinden daar waar de onderliggende transactie plaatsvindt, waarvoor de tussenpersoon tussenkomst verleent.

Intellectuele diensten zoals reclame, verlenen van auteursrechten, bank-, financiële en verzekeringsverrichtingen:

Voor B2B-situaties geldt de B2B-regel, de dienst wordt aldus geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd.

Voor B2C-situaties geldt de B2C-regel, de dienst wordt aldus geacht plaats te vinden daar waar de dienstverrichter is gevestigd. Indien echter, in een B2C-situatie, de afnemer buiten de EU is gevestigd, zal de dienst geacht worden plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd, dus buiten de EU.

Electronische diensten en diensten van telecommunicatie, broadcasting: Vanaf 1 januari 2010 tot 31 december 2014:

Voor B2B-situaties geldt de B2B-regel, de dienst wordt aldus geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd.

Voor B2C-situaties wordt de dienst geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd, indien de dienstverrichter buiten de EU is gevestigd. Hetzelfde geldt indien de dienstverrichter binnen de EU is gevestigd, en de afnemer buiten de EU. Zijn zowel dienstverrichter als afnemer in de EU gevestigd, geldt de B2C-regel, en wordt de dienst bijgevolg geacht plaats te vinden in de lidstaat van de dienstverrichter.

Electronische diensten en diensten van telecommunicatie, broadcasting: Vanaf 1 januari 2015:

Voor B2B-situaties blijft ook vanaf 2015 de B2B-regel gelden, de dienst wordt aldus geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd.

Ook voor B2C-situaties zullen vanaf 2015 electronische- en telecommunicatieve diensten geacht worden plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd.